- Professionals
- Gesprekstool welbevinden
- Het gesprek begint niet alleen bij het kind
Publicatiedatum: 30-10-2026 om 10:30 uur
Laatste update: 30-10-2026 om 14:44 uur
Het gesprek begint niet alleen bij het kind

‘Ouders horen onlosmakelijk bij hoe het met het kind gaat. We moeten veel meer oog hebben voor de ouders. Als zij goed in hun vel zitten, hebben ze vaak meer draagkracht om hun kind te ondersteunen bij uitdagingen.
Binnen de jeugdhulpverlening gaat het altijd over de kinderen. Ouders melden hun kinderen aan omdat er zorgen zijn over hun ontwikkeling of over de opvoeding. Maar als er bij de ouders zorgen zijn, bijvoorbeeld over hun financiën of huisvesting, heeft dat invloed op de kinderen. In gesprekken zouden we meer moeten vragen naar hun situatie, hun werk, financiën en eventuele problemen of zorgen van de ouders zelf. Dat gebeurt nauwelijks. Vaak is er weinig tijd, maar dat vind ik geen excuus. Het vraagt ook om een omslag in de manier waarop je je werk doet. Ik bespreek dit regelmatig met collega’s en attendeer hen graag op de kaartjes van de gesprekstool als ze die nog niet gebruiken.
De kaarten helpen om bewuster naar het welbevinden van de ouders te vragen. Mede dankzij de gesprekstool richt ik me meer op hen. Ik heb de kaartenset altijd in mijn tas. Ik krijg vaak reacties als: ‘Goh, wat een leuke vraag.’ Soms is een vraag gevoelig, maar ook dan ontstaan er mooie gesprekken. Meestal leg ik een paar kaarten neer die bij de ouders passen, waarna ze zelf een kaart kunnen kiezen met een vraag waarover ze met mij in gesprek willen gaan. Laatst koos een moeder een kaart met de vraag of ze zichzelf een goede opvoeder vindt. Die vraag raakte haar, omdat ze daar zelf over twijfelde. Soms maken de gesprekken emotioneel veel los. Maar laatst zei een vader juist: ‘Wat een leuk gesprek.’ Het ging niet alleen over de zorgen rondom zijn zoon, maar het gesprek was ook ontspannen en positief.
Ik heb zelf twee zoons van 27 en 29. Vooral de eerste jaren, in combinatie met werk, waren pittig. Die periode wordt niet voor niets de tropenjaren genoemd. Als je zwanger bent en een baby krijgt, draait het in die periode veel om jou. Na de geboorte kreeg ik kraamhulp, maar daarna wordt de hulp steeds minder en ben je vooral diegene die zorgt voor de kinderen. De focus ligt op hen. Ik moest veel ballen in de lucht houden. Er waren weinig mensen die vroegen: ‘Goh, lukt het allemaal? En hoe gaat het met jou?’ In die tijd was dat al helemaal niet gebruikelijk. Ik had wel behoefte aan die vraag gehad. Laten we die vraag vaker aan ouders stellen.’